Nederwiet uit Noord

27-07-2017 16:14

De IJ-tunnel bestond niet. Amsterdam Noord werd bediend door één pontdienst over het IJ en in het haventje van Nieuwendam legde het ‘bootje van Berghmans’ aan. Nieuwendam verbleef nog in een weldadige sluimertoestand; een dorpje, vriendelijk ingesloten door de grote stad.

 

Mijn ouders waren lyrisch over de landelijk schoonheid die zij zo vlakbij de stad ontdekt hadden. Voor mij bracht de verhuizing naar Noord een overstap van het felbegeerde Montessorilyceum naar het veel gewonere Waterlant College.

Ik was 13 en Noord was saai.

Het oudste café aan de Nieuwendammerdijk, twee huizen van ons vandaan, dreef eind jaren '60 op een paar fors drinkende ‘meubelstukken’. Liet ik mij éven afleiden? Een snelle windvlaag greep het bankbiljet dat tussen mijn duim en wijsvinger flapperde terwijl ik de paar hardstenen treden naar de ingang van café Het Sluisje in één atletische sprong overbrugde.

Daar fladderde het ‘geeltje’ zo m’n hand uit. De wind pakte het op, woei het in de richting van het huisje van Tinus, de blinde sluiswachter, bedacht zich, liet het biljet even dansen boven de zware sluisdeuren en nam het toen in een schuine loupe mee naar beneden, zo de groene donkerte van het sluisje in.

 

Help, kreunde het vanbinnen.

 

Vijfentwintig gulden was veel geld, zeker om de koffie te betalen die mijn vader en ik daar ’s morgens regelmatig dronken. Mijn moeder was toen al overleden.

Zakgeld kreeg ik niet.

Ik had weleens een krantenwijk overwogen. Maar dat verdiende schandalig weinig.

Behalve dan bij het grootste ochtendblad en dat deed je niet…

Ik hoorde het Arie Boer nog zeggen: als je voor de Telegraaf gaat werken breek ik allebei je benen. Het was een grapje, maar toch.

Onze rossige buurman, van Terschellingse familie en even hartstochtelijk als onderkoeld, had Vikingbloed in de aderen. De tweede dag dat wij ons huis op de Nieuwendammerdijk gingen opknappen bracht zijn vrouw Thea een pan soep.

 

Ze hielden erg van katten.

 

Eens werd er in het achterlaantje een vergiftigde kater gevonden. ‘Als één van mijn katten iets overkomt, schiet ik al je prijsdoffers de lucht uit’ liet Arie de plaatselijke duivenmelker weten.

Niet lang daarna kwam onze eigen grijze poes, een jonkie uit Arie's stal, thuis met een bloedende achterpoot. Mijn vader, kleinzoon van een Amsterdamse apotheker, onderzocht de poot deskundig terwijl ik Branie in haar nekvel plat hield.

 

Het was een kogelwond.

 

Mijn vijf jaar oudere zus, de middelste van drie, zag in het voorval een goede aanleiding om eens te gaan buurten. Zij aarzelde even bij het statige wit-houten huis boven café Het Sluisje, met het koperen bord ‘accountant’ naast het naamplaatje op de deur. Hier lazen ze zeker de Telegraaf. De zonen stonden regelmatig met een windbuks in het open raam boven hun boersige, stijf ingerichte tuin naar beneden te loeren.

Verontwaardiging over de aanslag op onze kat tekende mijn zusters gezicht met natuurlijke blosjes. Een vleugje mascara deed de rest.

 

Getooid in de aantrekkelijke combinatie furieus maar cool, belde ze bij de accountantsfamilie aan. De twee broers bovenaan de trap ontkenden, zichtbaar schuldbewust, in alle toonaarden.

Maar de oudste wilde haar wel met de mercedes van zijn pa naar de dierenarts brengen.

‘Je houdt zeker ook niet van negers,’ beet ze hem, met de gewonde Branie op schoot, toe nadat hij in de haast bijna een zwarte voetganger van het zebrapad reed.

Mijn zus kwam met dit verhaal thuis als heldin.

Niet veel later woonde ze, tot groot verdriet van mijn vader, samen met een van de daders.

De schuur achter ons huis werd ervoor verbouwd.

 

Op het erf, vlak naast mijn zusters raam, stopte ik na een radioprogramma van Koos Swart, wat vogelzaad in een grote bak met aarde, begoot het experiment trouw iedere dag met water en spande er vervolgens plastic overheen.

Die zomer van 1970 hadden we een fantastische oogst van wat de eerste nederwiet uit Noord geweest moet zijn. Mijn vader, altijd in voor een nieuwe ervaring, klaagde dat-ie er niets van merkte, om vervolgens bijna in slaap van de bank te glijden.

Terwijl ik mij tevreden stelde met een stoned bestaan in de marge, zette mijn op winst beluste zus een lucratieve handel op.

In hun tot liefdesnest verbouwde schuur stopte zij, samen met de gretige zoon van de accountant, de weed in luciferdoosjes, die zij voor een tientje op de markt brachten.

 

Wie van beide broers op de kat heeft geschoten is een goedbewaard geheim gebleven.

Mijn zus bracht nog twee onschuldige nakomelingen groot.

Hun vader, de oudste dader, overleed vroeg in de middelbare leeftijd onverwacht aan een geheimzinnige bacterie.

Maar de jongste kattenmoordenaar, inmiddels kroegbaas geworden, nam na een even geheimzinnig ongeluk, opgebaard in zijn eigen café Het Sluisje, het geheim van Branie als eerste mee het graf in.

 

Uit: Een umlaut op de psyche (Amsterdam, 2005)